Pagina 18: Samen duizend jaar

De kinderen van Fons en Saar Pielaat waren in 2021 samen duizend jaar. Dit heuglijk feit werd gevierd op 28 augustus j.l. met de kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en verdere familie.

Onze ouders zijn op 5 juli 1934 getrouwd en gingen inwonen bij opa Rookus op het Oudeland in IJzendijke.Na 4 jaar hebben ze een huisje gekocht. Dit huisje lag in de polder bij Hoofdplaat, tussen de Hogeweg en Nummer Een, de Inlage tussen vier dijken in de natuur, met bosjes riet en dichtbij de zee.

Een huisje, een kamertje en een keetje met een bakoven, waar ma altijd lekker brood in bakte, vooral met de kermis. En dan die heerlijke ovenkoeken, niet te vergeten.

We hadden een schuur, een schapenhok en een varkenskot, verder was er geen waterleiding maar wel een regenbak en een tonnen put.

Ook hadden we geen elektriciteit maar een kolenkachel om op te koken en een petroleumlamp voor het licht. Maar we hadden wel de grootste douche van heel Zeeuws-Vlaanderen, de zee.

De wasmachine en stofzuiger waren nog niet uitgevonden. Wel hadden we schapen, kippen, varkens en een grote groentetuin. Daar zijn wij allen opgegroeid, in de natuur en we hadden alle vrijheid.

In de zomer leerde we zwemmen en in de winter werd er geschaatst.

En iedereen was altijd welkom voor een bakje koffie of soep. Hoe groot ons gezin ook was, er was altijd voor iedereen eten.

We gingen naar school in Hoofdplaat, de school van meester Vinke. Het was de school met de Bijbel en op zondag was er ook nog de zondagsschool. In het begin gingen we nog op klompen naar school maar later hadden we gelukkig schoenen.

1984 tijdens 50 jarig huwelijksfeest Fons en Saar Pielaet.

Het gezin werd in de loop der jaren steeds groter en het huisje werd te klein. Toen hebben onze ouders in 1953 een nieuw huis laten bouwen, dit was na de Watersnoodramp. De oudsten uit het gezin gingen trouwen en de kleinkinderen kwamen, die maar al te graag naar oma en opa Trappen gingen. Spelen in de vrijheid en alles kon voor iedereen. Als oma jarig was in juli, dan was het een groot feest. Niemand had hier last van het lawaai want de buren woonden achter de andere dijk. Dit waren de families Cornelis en Ko de Rijcke.

De kleinkinderen zwommen altijd graag in de zee, en ze gingen mosselen of aontjes en hoentjes rapen. Ook gingen ze vissen met een stok met een touwtje eraan en vingen meer krabben dan paling.

Inmiddels hadden we ook elektriciteit, waterleiding en telefoon. Hierna kwam de TV en daar genoten onze ouders enorm van.

In 1973 of 1974 maakte het Deltaplan een einde aan deze mooie tijd. De dijken moesten breder en hoger, dus ons huis stond in de weg en dat is toen onteigend. Dat was voor onze ouders en ons als kinderen en kleinkinderen een verdrietige tijd. Onze vrijheid, de prachtige natuur met allerlei vogels, de bossen en de rust werd ons allemaal afgenomen.

Boven: Henk, Emmy, Louisa, Christina, Bennie, Corrie, Piet en Jozina.

Onder: Johan, Huib, Marie en Annie.

Onze ouders zijn toen in Breskens gaan wonen, en ook daar waren ze weer tevreden. Het voornaamste waren hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. En ook zij vonden weer de weg naar opa en oma.

Dit waren de kinderen die op 28 augustus 2021 samen duizend jaar oud waren. Het was een groot gezin, maar we waren er voor elkaar. Onze ouders zouden dankbaar zijn voor hun grote gezin, geboren aan het huisje bij de zee.

Annie Aerssens-Pielaat

=====================================================

Lied gemaakt door Sjaak (melodie: Het Dorp)

Tussen 4 dijken in bos en riet.

Lag d’oudelijke woning.

Toen wisten we nog niet, maar ’t was het land van melk en honing.

’t Gezin, breidde steeds verder uit, maar we hadden altijd groent’ en fruit.

Drie schapen en een geitje.

Schapen voor melk en wol.

De geit alleen maar voor de lol.

De lol van moeder Saartje.

* Refrein:

En aan het eind van het schelpenpadje.

Daar stond het huis van Fons en Saar.

Dat zullen we zeker nooit vergeten.

Al worden we samen 1000 jaar.

Voor d’oudsten was het zwaar.

De reis naar de bok elk jaar.

Voor Saar een aardigheidje.

Die zee, die was nooit ver.

We aten dag’lijks fruit de mer.

Haantjes en oentjes, alikruiken.

Aan ruimte was er wel gebrek.

Voor slapen was er amper plek.

Maar daar was dan die zee om in te duiken.

(* Refrein)

’t Werd opgeslokt door een brede dam.

Ik weet nog goed dat die er kwam.

In plek van ‘t huisje aan den diek.

‘t Maakt me soms nog melancholiek.

Wat ons nog bleef van al die mooie dingen.

Een schilderij aan de wand van onze jeugdherinneringen.

(* Refrein)