Pagina 16: De Hogeweg

In BN De Stem stond op 23 januari jl. een reportage over de inwoners van buurtschap Hogeweg. Het was een mooi geschreven stuk waarin de huidige bewoners hun woonplaats omschreven. Deze reportage werd door veel ‘oud bewoners’ van de Hogeweg gelezen en de verhalen kwamen boven. Daarom de Hogeweg van nu beschreven door de huidige bewoners, de Hogeweg van vroeger beschreven door bewoners van de Hogeweg van toen.

Herinneringen aan de Hogeweg

De Hogeweg, een gehucht achter de dijk. Ik ben geboren op huisnummer D17. Er waren 11 gezinnen dus in die tijd veel kinderen. Met een oude fiets of te voet gingen we naar school in Hoofdplaat. Merendeels waren we op de Hogeweg, daar hadden we alles: vrienden, vriendinnen, eten en drinken.
Want over de dijk was er een winkeltje (supermarkt) van Lotje Pijcke en de melkboer was bij Peetje van Damme. Vlees daar zorgden de vaders voor die varkens en kippen slachtten dus er was niets te kort!! Ik woonde met mijn ouders, broers en zussen in een huisje dat we ‘hotel stamp je hoofd niet’ noemden. Mijn broer Mieles (de gemeente-werkman) was zo lang dat hij moest bukken als hij binnenkwam en binnen liep hij tussen de balken.

Maar al met al vonden wij het daar allemaal gezellig. Ieder is met de tijd verhuisd naar Hoofdplaat of elders en nu wordt het weer bewoond door Belgische, Duitse en Nederlandse mensen, dus het blijft toch een aantrekkelijk plekje zie je wel.

Irene van de Velde – de Waele

Wij zijn op de Hogeweg geboren. De Hogeweg, 12 huisjes tussen 4 dijken. Opa woonde ook bij ons in, Opa Taarte zeiden ze. Wij woonden op nummer 2, de buren waren de familie Scherbeijn. Tegen mijn pa zeiden ze Tap. Ma dacht dat hij ook zo heette. Frits de Smit zagen we altijd op de fiets naar Els rijden langs ons pad.

Wij waren met 4 kinderen, onze Edie, onze Ineke en wudder. Ma kwam uit Hulst en als zij praatte dan liepen de kinderen weg en zeiden: “Wat praat die vrouw raar”. Dit vertelde ons ma altijd want wij waren er nog niet!

Wij hadden natuurlijk wel eens ruzie met Loes de Waele en Ceciel Gijs, kan ook wel aan ons hebben gelegen! Maar Guust de Waele stond altijd op ‘t pad te kijken wat we deden. Ook gingen we met zijn allen gaan zwemmen, ging je iets te ver dan riep een ouder kind: “Als je niet snel terugkomt dan kom ik je halen”. En dat kon nou net niet want die kon ook niet zwemmen. Onze Edie maakte altijd alleen zijn haar nat, maar daar trapte ons Ma niet in.

Schaatsen deden we met zijn allen in de Harre, dat was een grote plas.

Wij gingen samen met de Ruijsschers en Peter van Damme. Ronny mocht ook mee naar de Harre om te spelen of mee naar de zee. Dan keken we of er iets was aangespoeld, een appelsien of zo, daar beet je dan in.

Bij Marie Pikke haalden we de boodschappen. Als je kaas moest dan zei ze: ‘Eerst een stukje voor Marie pikken’ en dan at ze eerst zelf een stukje kaas.

Net als alle buren hadden wij kippen en een varken. Als die dik genoeg was kwam Tieste, de slager. Dan mochten we kijken hoe het varken door zijn kop werd geschoten, dat was heel spannend.

We gingen ook veel naar van Damme, José knipte dan de staart van het varken. Daar mochten we kijken hoe ze dat deed, dat was als kind best spannend. Soms probeerden we wel eens op een varken te gaan zitten, die liep dan brullend weg en meestal viel je in een hoop mest.

We hadden een lammetje dat was verstoten door zijn moeder. Het lammetje was blind en mijn ma verzorgde dat. Het lammetje heette Liezelot en liep ons overal achterna, zelfs tot in de keuken maar dat kwam natuurlijk niet goed.

We gingen naar Marietje de Ruijsscher om te kijken of de jongens al thuis waren en even naar Emmy kijken want die was een stuk jonger. Waren de jongens niet thuis dan konden we onze gang gaan langs het pad om ‘jeniffers en beiers met haar op’ te plukken, heerlijk. Je moest wel opletten of niemand dit zag! Ze hadden een paard bij de Ruijsschers, die heette Max. Als je daar wat te dicht bij in de buurt kwam dan beet hij in je kont. Volgens mij was Johnny er ook op zijn kapot van.

Meestal gingen we nog langs de koeput, om even te kijken wat mensen hadden weggegooid, en dan nog ‘paardezeikers’ plukken voor Ema Kip en Fons. De kippen liepen daar altijd in de keuken en de paardezeikers gooiden we dan in de keuken en riepen heel hard “Ema Kip en Fons Kip”. Dan kwam ze achter ons aan en riep naar ons pa “Ze doen het weer!”. Maar Fons liep altijd gelijk naar pa want dat was korter. Later heb ik nog bij Ema gewerkt en dan zei ze: “Annelies, het was toch altijd leuk op de Hogeweg”. Ik durfde niet te kijken.

Bij Bertha de Waele keken we 1x in de week naar de tv, want die hadden wij zelf niet. Giel de Witte kwam af en toe met een heleboel kleren op de arm, want je kon niet met de auto tot bij ons komen.

Dan zeiden wij: ”Kijk ma, daar gaat Giel de Witte naar Bertha“. Dan zei ma: “Jullie zijn toch ook netjes!”. Ja natuurlijk maar dat was 2e hands van de zusjes van Waes, ma moest ze wel eens innaaien.

Op zaterdag moest er gewassen worden, allemaal in een teil en dan naar boven als we klaar waren. Toen we eens terug kwamen in de keuken stond pa in een lange onderbroek want die was nog niet klaar met zijn wasbeurt.

Vaak zaten we met zijn allen op de dijk om te kijken wie er langs kwamen. Toen we 18 jaar waren gingen we verhuizen maar we wilden niet weg van de Hogeweg want die was van ons! Mijn pa moest wel want Café Pikke was dicht, de winkel was gesloten, we hadden geen auto en pa kon niet goed lopen. Dat werd dus het einde van ons leven op de Hogeweg. Buurvrouw Margriet Temmerman was ook een van de laatsten.

We hebben lang heimwee gehad en later ben ik nog eens terug geweest in ons huis. Alles was nog precies hetzelfde als in onze tijd en dan krijg je opnieuw heimwee naar een geweldige jeugd op de Hogeweg.

Annelies en Ria de Wever.

De Hogeweg een gehucht achter een dijk, een gezellige gemeenschap. Hadden we boodschappen nodig dan gingen we even over de dijk naar Marie Pijcke. Ze schreef het wel in de boek: de volgende zaterdag ging je dan afrekenen (met altijd een lekker zak snoep er bij), zo ging dat. Bij het winkeltje was ook een café ‘De Reisduif’.

Waterleiding was er in het begin niet, dan was er een waterput in de ‘harre’. Tegenwoordig zouden ze zeggen in het bos, voor de ‘was’ te doen: met de kruiwagen met een zinken wasketel er op richting de ‘harre’.

Voor het drinkwater was er een regenput. Begin september 1950 zijn we op de waterleiding aangesloten, dat was een hele verbetering.

De verlichting was op butagas met zo’n treklamp waar een gloeikousje op stond. Als je per ongeluk de deur open deed en het tochtte flink dan was het kousje zo kapot. Dus weer maar even naar Marie Pijcke, die verkocht ze in haar winkel.

In 1956 kregen we elektriciteit en hadden we geen kousjes meer nodig. Elektriciteit 15 November 1956 Feest op de Hogeweg:

“Hogeweg” in Hoofdplaat heeft elektrisch licht. „ … Mensen, jullie hebben nu stroom!” Deze woorden klonken donderdagmiddag uit de mond van burgemeester J.F.C. Temmerman van Hoofdplaat.

In het begin van 1957 hebben ze ook een nieuwe weg aangelegd, van kinderkopjes en grintweg naar asfalt. Als kinderen speelden we vaak in de ‘harre’ en aan de zeedijk; samen zwemmen, voetballen. Wat was dat een leuke tijd. Op zondagavond gingen we altijd op de dijk zitten aan de weg, iedereen had een deken bij zich. Veel auto’s kwamen er niet voorbij. We rolschaatsten op de weg, dat was toen heel gewoon.

In 1963 waren we van de buitenwereld afgesloten. Door ophoping van de sneeuw was het onmogelijk over de dijk te komen, een diepe gang graven was de enige oplossing. De bakker, melkboer en de groente- boer kwamen aan de deur, dat was toen wel een luxe.

Hadden we de dokter nodig gingen we naar Marie Pijcke en vroegen of ze het witte vlaggetje wou uit steken, op de hoek van hun huis. De dokter kwam van IJzendijke over de Hogewegdijk gereden. Zag hij het vlaggetje wapperen dan ging hij aan Marie vragen waar hij naar toe moest.

En dan naar de kerk, was je niet (met wat voor reden dan ook) naar de kerk geweest kwam je niet van achter de dijk.

Mia van Dierendonck-Scherbeijn

Vroeger had je tussen Nummer Een en de Hogeweg vier inlagen.

De Hogeweg was de eerste inlaag. In de oorlog stonden er zestien huizen, waarvan er vier kapotgeschoten zijn. Na de oorlog zijn er twee noodwoningen (barakken) gebouwd; ik kan me hiervan nog iets herinneren (ben in de oorlog geboren).

Toen de barakken werden afgebroken, zijn de gezinnen die in de barakken woonden verhuisd naar Hoofdplaat. Nu staan er op de Hogeweg nog steeds twaalf huizen, maar er is sindsdien wel veel veranderd.

In 1953 tijdens de watersnoodramp moesten we een week onze huizen verlaten, omdat het gevaar voor overstroming nog niet geweken was. Wij hadden gelukkig geen dijkdoorbraak, maar de polder van Hoofdplaat (naast de Hogeweg) stond wel onder water.

Een paar jaar erna (ca. 1956) is er elektriciteit en waterleiding aangelegd (de sleuven hiervoor zijn door de bewoners zelf gegraven), dat was wel een feest! Toen er namelijk nog geen waterleiding lag en het was een droge zomer, dan hadden we soms geen water en kwam  er een tractor met tank om de regenputten met water te vullen.

In de jaren ‘60-‘70 begon de verhuizing: de een na de ander verkocht zijn huis. De meesten gingen in het dorp wonen.

Ik heb hele goede herinneringen aan de Hogeweg, ook al woonden we afgelegen tussen vier dijken.

Het was er heerlijk wonen: de zee, het bos (wij noemden het de Harre) en de vrijheid!

Els de Smit-Scherbeijn