Pagina 3: Oorlogsverhaal

Een waargebeurd verhaal uit de 2e wereldoorlog van mijn vader Ernest Vincentius Rijckaert

*  Geboren: 11-11-1917 te Hoofdplaat.

U Overleden: 17-01-2014  te Breskens.

Ik werkte destijds op De Schelde te Vlissingen, maar op een gegeven ogenblik moesten er mannen voor de Duitsers ergens anders gaan werken, waaronder ik.

We vertrokken vanuit Vlissingen met de trein, bestemming richting het noorden onbekend.

Onderweg stapten er nog meer mannen in die opgeroepen waren, ook voor in Duitsland waar we inmiddels door reden. Onderweg werden er ook groepen uitgezet en ik moest blijven zitten tot Glinde bij Hamburg waar er nog moesten uitstappen.

We moesten daar met meerdere Nederlanders in een Machine fabriek binnenkomende machines repareren (wat wel eens gesaboteerd werd). We hadden het er niet slecht ondanks dat het oorlog was en er daar ook genoeg armoede was, maar we moesten wel hard werken van die moffen.

Om de 2 weken kregen we de zaterdag vrij, de zondag was altijd vrij.

We gingen met enkelen dan ook wel eens de stad in, we spraken al een beetje Duits en een biertje pakken in een naburig café. Ik heb nog een foto van dat café dat ik had opgestuurd naar mijn meisje Margaretha Steijaert* op Sasput, gemeente Schoondijke.

Foto: Café om een pintje te drinken in de buurt van het kamp. Het zou er nog zijn maar moderner. Er zouden ook nog barakken staan als Museum?

Na een half jaar dwangarbeid voor de Duitsers* We lagen in barakken met zo`n 30 personen.

Maar na één maand hadden er al heimwee naar huis, waaronder ook ik. Er werd in het geheim in een groepje over gesproken om te vluchten met 6 personen. Tot enkele avonden voor de vlucht durfden er 5 niet meer, ik zei dat ik hoe dan ook het toch ging doen. Later zei een andere, dan ga ik met je mee en dat was Bram Dellebeke uit Souburg.

Eerst vertrouwden wij het niet omdat hij niet van onze groep was en dat hij spioneerde voor de Duitsers maar dat was niet het geval.

We gingen de vrijdag op zaterdag nacht, dan hadden we de tijd tot maandagmorgen voordat de Duitsers zouden ontdekken dat er twee minder waren.

Via het dak van de barak konden we dicht bij de omheining komen waar we onderdoor zijn gekropen, en dan de gehele nacht maar lopen en opletten dat niemand ons zag. De zaterdagmorgen hebben we op een station twee kaartjes gekocht naar Osnabrück, de trein die richting het westen ging. Ik moest het woord doen want Bram kon geen Duits en was bang, als er controle kwam gingen we uit elkaar hopend dat ze er ons niet uithaalden voor ausweis, gelukkig ging alles goed. Zo kwamen we dichter bij de Nederlandse grens bij Gronau waar we zijn uitgestapt en gingen te voet verder langs de rails wat bijna slecht afliep.

Er kwam een man ons achterop die vroeg in het Nederlands of hij met ons mee mocht lopen de Nederlandse grens over, waarop ik in het Duits zei dat we niet over de grens moesten omdat we de rails controleerden waarop hij terug is weggegaan.

Wij zijn teruggegaan want we vertrouwden het niet en hebben ons schuil gehouden tot het donker was. Toen het donker was zijn we langs de weg verder gegaan oppassend dat niemand ons zag, waar we de weg zijn afgegaan en voor wat weet ik niet meer maar we zijn op een gegeven moment aan een voetbalveld gekomen.

We liepen het veld over naar de andere kant tot we halfweg waren; toen hoorden we Duits praten, het bleek een koppeltje te zijn. We bleven op het veld liggen tot ze zijn weggegaan.

We gingen weer verder, we moesten een snel lopend breed slootje over met aan de andere kant tingels (brandnetels) daar doorheen en naar boven was een spoorlijntje, toen we boven kwamen hoorden we Duitse laarzen over het spoor aankomen van een man of tien, wij vlug de tingels in, wat gewacht en weer verder langs het spoor en op onze hoede. Zo kwamen we in een dorpje (Clanerbrug).

Het was onder de morgen en we vonden een schuurtje om te slapen met wat stroo, want er stond een geit in. We lagen te slapen toen we wakker schrokken omdat er iemand over het kleine koffertje dat ik bij me had struikelde, maar we hadden geluk het was de bakkersknecht die voor hij aan het werk ging de geit kwam eten geven.

Hij was voor ons van de goede kant, hij nam ons mee naar de bakkerij en we kregen daar wat te eten, maar hij zei dat we weer snel weg moesten omdat de Duitsers straks kwamen om ook brood te bakken voor hun zelf (gevorderd). Hij bracht ons verder, bij wie weet ik niet meer.

We zijn later verder gegaan tot Vlissingen en ik had naar Sasput gebeld dat mijn meisje me aan de boot in Breskens moest komen ophalen met een lange overjas en een hoed. Bram is in Vlissingen ook opgehaald, door zijn broer dacht ik.

Ik ben nog wel eens in Souburg geweest om hem op te zoeken maar zijn moeder zei dat hij voor de Duitsers in Duitsland werkte, het hielp niet als ik me bekend maakte en zei dat we gevlucht waren, ze vertrouwde het zeker niet. Ik heb later wel eens gehoord dat hij ergens in Amersfoort ondergedoken zat. Ik heb nooit meer iets van hem gehoord.

Ik was op Sasput en mijn ouders wisten niet beter dan dat ik in Duitsland zat. Ik zat bij mijn meisje `s avonds in huis, overdag zat ik in een kamertje achter het duivenhok boven de smidse die mijn schoonouders hadden. Daar liep een klein riempje achter een balk van het drijfwerk van de smidse naar boven naar het kamertje, daar draaide een klein lijnzaadmolentje op. Zo moest ik mijn kostje verdienen.

De klanten in de smidse vroegen wel eens of de smid (schoonvader) het niet kon stil zetten, maar hij zei dat het was omdat de nieuwe riemen moesten inlopen. Later is het molentje stuk gedraaid door dat er in het zaad een scherfje zat, maar ik heb het toch nog bewaard tot 1980 dan heb ik alles opgeruimd.

Dit heb ik samen met Bram meegemaakt het was wel spannend maar we hebben het maar gedaan en het is goed afgelopen.

Ik heb het tot einde van de oorlog op Sasput meegemaakt het bombardement op Breskens en de beschieting van Vlissingen gezien vanaf op het dijkje op Sasput.

Ik heb op Sasput nog wel wat meegemaakt.

n Duitse motor met zijspan met twee Duitsers er in kwamen door de bocht op Sasput toen een Engelse jager over vloog. De man in het zijspan met zijn geweer er op te schieten wat natuurlijk niets uithaalde. Maar de piloot van de jager had het wel in de gaten en keerde terug en vuurde een salvo uit een boordmitrailleur dat tot gevolg had dat de motor met zijspan over de kop ging. Een Duitser bleef liggen en later bleek dat hij dood was, de andere liep weg en verstopte zich in de opening van onze schuilkelder in de dijk en begon weer te schieten waardoor het vliegtuig weer keerde. Ik hield snel een schop boven de Duitser en vroeg hem of hij gek was en eens in de kelder moest rond kijken waar vrouwen en kinderen in zaten. Het is verder goed afgelopen. De Duitser is zijn kameraden gaan halen, zijn dode maat opgehaald en blijkbaar niets van onze schuilkelder verteld. Later bij de bevrijding heb ik hem nog eens gezien toen hij krijgsgevangen was. En zei dat hij blij was dat het voorbij was en dat zijn hoofd er nog opstond.

Dit verhaal mag niet zonder toestemming van de familie worden gepubliceerd of gekopieerd.

A.J.G. Rijckaert.      

Nieuwstraat 19

4511CR Breskens. Tel: 0117 383353

Toestemming verleend aan Dorpskrant Hoofdplaat.